Een arbeidsongeval en de taalbarrière
in Overige
2 min. leestijd

Een arbeidsongeval en de taalbarrière

In toenemende mate lijken er meerdere talen te worden gebruikt op de werkvloer. Dit kan leiden tot misverstanden of miscommunicatie met soms nare gevolgen. In de verhouding werknemer-werkgever is het belangrijk voor werkgevers om rekening te houden met taalbarrières. Als werknemers elkaar niet verstaan of als een werknemer de taal van de (veiligheids)instructies niet machtig is, is de kans groot dat bij ongevallen de werkgever zijn zorgplicht schendt en met succes aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die daardoor ontstaat.

In steeds meer sectoren zijn medewerkers werkzaam met verschillende (taal)achtergronden. Communicatie is belangrijk voor de veiligheid. Bij een ongeval op de werkvloer kan de vraag opspelen in hoeverre de schade het gevolg is van een taalbarrière.

In zijn algemeenheid gelden de volgende uitgangspunten bij arbeidsongevallen en taalbarrières:

  1. De verantwoordelijkheid bij onduidelijkheden door de taalbarrière ligt bij de werkgever;
  2. Als (veiligheids)instructies niet zijn gegeven in een taal die de werknemer begrijpt dan wordt over het algemeen aangenomen dat de werkgever niet aan de zorgplicht heeft voldaan;
  3. De werkgever is ook aansprakelijk als een werknemer gewond raakt, omdat een collega geen Nederlands spreekt en de werkgever geen rekening hield met de taalbarrière;
  4. Bij instructies, waarschuwingen, voorlichting etc. moet de werkgever rekening houden met taalbarrières;
  5. Werknemers die samenwerken hoeven niet elkaars taal te spreken, maar moeten wel kunnen communiceren;
  6. Als werknemers elkaar niet zien, neemt het belang van mondelinge communicatie toe.

Wanneer is de taal die werknemers spreken van belang bij een arbeidsongeval? 

Algemene verwijten aan de werkgever kunnen niet ten grondslag liggen aan aansprakelijkheid. De taalbarrière moet dus een specifieke rol spelen bij het arbeidsongeval. De rechter beoordeelt niet de algemene veiligheid binnen het bedrijf, maar de maatregelen die de werkgever nam om dit specifieke ongeval te voorkomen. Dat er personen op de werkvloer aanwezig zijn die de Nederlandse taal niet beheersen, is daarom alleen van belang als dit een rol speelt bij het ontstaan van een ongeval. Samenwerken met iemand die je niet verstaat, kan immers gevaarlijk zijn.

Non-verbale communicatie en elkaar zien

In een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam buigt de rechter zich over de aansprakelijkheidsvraag voor handletsel opgelopen bij een ongeval met een heftruck. De werknemers konden elkaar niet zien. Non-verbale communicatie is vaak voldoende bij het uitvoeren van werkzaamheden, maar daarvoor moeten medewerkers elkaar wel kunnen zien. Daarom wordt het des te belangrijker dat de werknemers elkaar verstaan. Dat in casu de heftruckbestuurder en de werknemer die verwondingen opliep elkaar niet konden zien en vanwege de taalbarrière niet goed communiceerden, wordt de werkgever aangerekend.

 Arbeidsomstandighedenwet

In een uitspraak van de rechtbank Dordrecht wordt een rapport van de Arbeidsinspectie geciteerd. De inspecteurs benoemen dat er in de Arbeidsomstandighedenwetgeving geen regels staan over omgaan met een taalbarrière. De inspecteurs vinden dat onder ‘goed en veilig werken’ ook valt dat werknemers die samenwerken zich met elkaar verstaanbaar kunnen maken.

De Arbeidsomstandighedenwetgeving geeft hiervoor echter geen praktische handvatten. Wel kan, naar de mening van de inspecteurs, in de geest van de Arbeidsomstandighedenwet van de werkgever worden verwacht, “als een eis van goed en veilig werken”, dat werknemers die met elkaar moeten samenwerken en daardoor van elkaar afhankelijk zijn, zich met elkaar verstaanbaar moeten kunnen maken.’ De rechter gaat hierin mee.

 Conclusie zorgplicht werkgever en taalbarrière

De verantwoordelijkheid voor communicatie tussen medewerkers bij de aanwezigheid van een taalbarrière ligt bij de werkgever. Het is de taak van de werkgevers om medewerkers veiligheidsinstructies, cursussen en andere informatie in de taal van de werknemer beschikbaar te stellen. Als informatie alleen in het Nederlands beschikbaar is, voldoet de werkgever niet aan zijn zorgplicht.

Over de schrijver
Al tijdens mijn rechtenstudie ben ik begonnen met het verlenen van rechtshulp aan consumenten. Veelal betrof dit verzekeringskwesties, kleine aanrijdingen, vriendendiensten of claims door huis-, tuin- en keukenongevalletjes. Dat moment was het begin van het ondernemerschap dat voortduurt tot op de dag van vandaag. Geleidelijk aan werd het werk specialistischer en trok mij steeds meer de kant van het letselschade regelen. Dit hield in het vaststellen van aansprakelijkheid, begroten van letselschade en dat verhalen op de verzekeringsmaatschappij namens de gedupeerden. In eerste instantie vanuit Nijmegen. Door de hoge mate van specialisatie is dat inmiddels landelijk geworden met een team van 15 deskundigen. Mijn specialisatie binnen de schaderegeling is het bijstaan van zelfstandig ondernemers en ZZP-ers. Een groep gedupeerden die kwetsbaar zijn omdat het inkomen wordt gehaald uit de eigen onderneming. Als je dan beperkt raakt door een ongeval, sta je voor de uitdaging om je verdiencapaciteit op peil te houden. Dat vraagt vaak veel creativiteit en inzet. In 2003 voltooide ik de specialisatie-opleiding als letselschade advocaat. In de jaren daarna werd steeds weer nagestreefd, en met succes, om aangesloten te zijn bij meest toonaangevende keurmerken zoals de Vereniging van Letselschade Advocaten, het Register Letselschade en NIVRE.

Dementie en de invloed van mijn gedrag

Dementie in Nederland neemt toe. Maar ook de problematiek en het gedrag van pg-cliënten veranderd. En dat leidt tot meer lastige situaties.  Soms dwingend, soms zelfs agressief. Gedrag waar zorgmedewerkers in toenemende mate moeilijk mee om lijken te kunnen gaan.


Waardoor ontstaat lastig en agressief gedrag bij dementie?

Verpleegkundigen en verzorgenden weten wat dementie is. En welk gedrag daarbij kan horen. En hoe ze daar op zouden kunnen reageren. Maar er zijn méér mensen betrokken bij het zorgproces. Denk aan huishoudelijk medewerkers, assistenten wonen, zorg en welzijn, de helpenden, vrijwilligers en zelfs familie. Ook de medewerker van de facilitaire dienst komt wel eens langs.


Velen van hen weten niet of onvoldoende wat dementie inhoudt. Laat staan dat ze weten hoe ze zouden kunnen reageren op gedrag van de cliënt. Maar ze zijn er wel én ze hebben met hun handelen invloed op die cliënt. Soms meer dan we denken.


Wat wij in de praktijk zien is er meestal vanuit de werkzaamheden wordt gedacht: Ik ga nu mijn taak uitvoeren (de zorg moet gedaan worden). Daarbij is er geen of weinig inzicht in het effect van die handeling op de cliënt.


Ook van medewerkers waarvan wél maatwerk mag worden verwacht, zien we dat dat soms ‘vergeten’ wordt. Een enkele keer omdat er toch onvoldoende kennis is. Maar vaker doordat die professional niet goed in staat is om die kennis om zetten in praktisch handelen. Ook een heersende teamcultuur kan adequaat handelen in de weg staan.


Hoe voorkom je lastig en agressief gedrag bij dementie?

Daar is geen allesomvattend antwoord op te geven. Wel begint het met kennis. Bij de verpleegkundige en de verzorgende. Maar ook bij de huishoudelijk medewerker, zorghulp, helpende en vrijwilliger. Zelfs bij die medewerker van het facilitair bedrijf.


Wat is dementie eigenlijk? Welk soort gedrag hoort hierbij en waardoor ontstaat dat? Hoe is de beleving van de cliënt? Wat gebeurt er allemaal in zijn of haar hoofd? Belangrijke vragen die een antwoord verdienen. Want door het vergroten van die kennis ontstaat er meer inzicht. En daardoor ontstaat er ruimte om beter te reageren op lastig of soms zelfs agressief gedrag van de ander. En zo de juiste dingen te doen of juist te laten.